
Cafetaria’s uitgebaat door musea, dieren- of plantentuinen kunnen voortaan net zoals de cafetaria van ziekenhuizen, theaters en ook sportclubs genieten van een vrijstelling van BTW. Er zijn wel een aantal nieuwe bepalingen die moeten nageleefd worden (art.44/2 WBTW).
Een nieuw onderzoek van de Administratie heeft er toe geleid, dat de exploitatie van een cafetaria kan worden beschouwd als een dienst die betrekking heeft op het bezoek aan de sportclub. Volgende voorwaarden moeten wel voldaan zijn:
- de cafetaria is enkel toegankelijk voor personen die de sportclub bezoeken, wat betekent dat er geen toegang mag zijn van buitenaf of wanneer de sportclub gesloten is.
- de uitbater mag geen andere belastbare werkzaamheden uitoefenen
- er mogen enkel lichte maaltijden geserveerd worden (volgens circulaire nr 10 van 13 april 1994, punt18).
- de ontvangsten van de cafetaria mogen geen concurrentieverstoring veroorzaken. De inkomsten moeten dus ‘betrekkelijk gering blijven in vergelijking met de gezamenlijke vrijgestelde ontvangsten’ van de sportclub.
Een kwantitatief criterium...
Voor dit laatste punt heeft het ministerie een praktische formule opgesteld. De ontvangsten blijven ‘betrekkelijk gering’ als ze op jaarbasis niet hoger zijn dan 5.580 EUR (het plafond dat ook voorzien is voor kleine ondernemingen). Als de ontvangsten hoger liggen dan dit bedrag, dan zullen ze toch nog als ‘betrekkelijk gering’ kunnen worden beschouwd, als ze niet hoger zijn dan 10 procent van de globale vrijgestelde ontvangsten van de exploitant.
Als één van deze criteria niet is vervuld, zijn de ontvangsten van de cafetaria onderworpen aan de BTW, tenzij de exploitant zich kan beroepen op de hiervoor bedoelde vrijstellingsregeling (voor kleine ondernemingen: inkomsten lager dan 5.580 EUR).
|